Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Niet storen. Een kritische beschouwing over de Riagg in woord en beeld
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie

Nog altijd & Cement. Levensverhalen van Auschwitz-overlevenden
Tien componistenportretten in woord en beeld
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen

Praktische 
info over 
de ggz hulp

 CV Saar Roelofs

Geen talent voor volgzaamheid: 
ervaring als psycholoog in de ggz

 


saar.roelofs@xs4all.nl 

© Partner Productions

 

 

 

Dr. Saar Roelofs

De veerkracht van de hulpvrager 1

(met en zonder steun van een hulpverlener)

geïllustreerd met 10 cartoons (©)

 


 

deel 3 uit
Wie is er nu gek?
Over kronkels in de therapeutische relatie

 

Scriptum Psychologie (2008)

 


 

Aan de hand van uiteenlopende praktijkvoorbeelden laat Saar Roelofs in Deel 3 van Wie is er nu gek? zien dat mensen in psychische nood  - ook zonder tussenkomst van hulpverleners - in staat zijn onvermoede innerlijke krachten aan te boren. 

Volgens de auteur is kunst een bron van inspiratie die aan inzicht en geestelijke groei kan bijdragen. In het boek vindt de lezer dan ook vele verwijzingen naar beeldende kunst, literatuur en muziek. 

 


 

Motto van Wie is er nu gek?

"Maar er is een verstandelijk weten en een gevoelsweten.
En dit gevoelsweten, deze levende wijsheid alleen, is het die bevredigt en sterkt. En haar winnen we alleen door ervaring."
 

 

Frederik van Eeden


 

Ontvangst

"Saar Roelofs focust op de creativiteit en veerkracht van patiënten. Evenzeer verwijst zij naar de veerkracht van kunstenaars en overlevenden van de Holocaust. Zij wijst er terecht op dat mensen in uitzonderlijke situaties vaak een enorm groeipotentieel vertonen, waarvan wij als therapeut nog veel kunnen leren." Tijdschrift voor Psychiatrie  5, 2009, Patrick Luyten

 

"Een buitengewoon steunende boodschap voor iedereen die in psychische nood verkeert." Zinweb, 6 juli 2008, Marga Haas.

 

"Een terecht betoog tegen het afhankelijk maken van mensen van professionele zorg. Verluchtigd met cartoons van eigen hand die verhelderend werken. Levendige casusbesprekingen. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 13 december 2008, P.C. Bügel.

Meer...

 


Zie ook passages uit Deel 2: De therapeut op de divan

 

 

 De veerkracht van de hulpvrager 1

 

Inhoud

1. De twee kanten van de medaille

2. Therapie als opmaat

3. Op eigen kracht

4. Het leven als creatief proces

5. "De schoonheid van de ziel"

 

 

Is Robert Schumann gek als hij in een manische toestand in vier dagen

tijd zijn verrukkelijke Frühlingssymphonie componeert? Is Vincent van

Gogh gestoord als hij met intense kleuren en heftige penseelstreken

verbeten een maximale expressie najaagt? Is een kind, dat zich furieus

verzet tegen wat het als onrecht ervaart, ziek?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pieken en dalen

Hoezeer hij ook in psychische moeilijkheden kan verkeren, een mens

heeft ook gezonde en vitale kanten. Hulpverleners kunnen deze kanten

benutten. In plaats daarvan leggen zij niet zelden de nadruk op de

psychische problematiek en het onvermogen van hun cliënt.

Er zijn eigenschappen die in de hulpverlening vaak uitsluitend als

negatief worden beschouwd, maar die ook hun positieve kanten kunnen

hebben. Mensen met een vurig temperament, bijvoorbeeld, hebben

meestal een leven met terugkerende hoogte- en dieptepunten. Zij

kunnen zich niet alleen in de put werken, maar ook hemel en aarde

bewegen om hun leven te verrijken. Hulpverleners voorzien hen echter

vaak al snel van een psychiatrisch etiket dat de aandacht vestigt op

de dalen en dat geen recht doet aan de pieken. Daarmee negeren zij de

gezonde kant van een aard waarin de remedie voor de minder gezonde

kant ligt opgeslagen. Hier volgen een paar voorbeelden.

 

 

Vitaliteit

Sonja is een vechter. Zij is de jongste van vijf kinderen en groeit met

weinig vreugde op. Haar vader is een gevoelig en verlegen man met een

oorlogstrauma waarvoor hij langdurig in een psychiatrisch ziekenhuis

wordt behandeld. Daar beëindigt hij zijn leven. Zij beschrijft haar moeder

als liefdeloos en grillig. Sonja is echter niet voor een kleintje vervaard.

‘Al als peuter kon ik het op een huilen zetten of een driftbui krijgen

wanneer ik me niet geaccepteerd voelde. Als ik iets onrechtvaardig

vond, ging ik dóór en dóór totdat ik mijn zin kreeg. Dus ik gaf niet

zomaar op. Ik wilde gewoon erkend worden.’

Wanneer haar oudere broers en zusters het huis uitgaan, is de situatie

tussen Sandra en haar moeder soms onhoudbaar. Maar Sandra is geen

meisje dat haar mond houdt en zich aanpast.

‘Ik haatte haar en ik haatte de hele wereld. Het was heel heftig. Zij

was bang dat ik haar zou vermoorden en omgekeerd was ik bang dat

zij mij zou vermoorden. Een enkele keer ging zij helemaal over de

rooie. Dan was ze gevaarlijk. Dan sloeg ze mij bijvoorbeeld met de

staaf van de stofzuigerslang. Pats, pats, pats! Maar ik gooide mezelf

helemaal in de strijd, tot uitputting toe. Ik pikte niets meer.’

Als jongvolwassene komt Sandra in een diep dal. Zij gaat in therapie.

In de behandeling ontdekt zij dat haar temperament haar grote kracht

is. Dat het haar enige middel was om de thuissituatie te overleven. En

ook dat zij diezelfde vitaliteit gebruikt om mooie dingen tot stand te

brengen. Zo speelt zij aanzienlijke rol in de Cliëntenbond voor de Geestelijke 

Gezondheidszorg, waar zij om haar vindingrijkheid wordt gewaardeerd. 

Voor het bulletin van de Cliëntenbond schrijft zij vele artikelen die een 

belangrijke bijdrage vormen.

 

 

Vanuit het hart

Wie kent niet de buste van Beethoven met woeste kop en wilde haren,

die menig piano siert? Beethoven was een heetgebakerd persoon met

enorme stemmingswisselingen. Met zijn terugkerende woedeaanvallen

was hij een moeilijk mens, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor

zijn omgeving. Het verhaal gaat dat hij eens wanhopig aan een compositie,

het Credo van zijn Missa Solemnis, werkte. Hierdoor werd hij

zo in beslag genomen dat hij het avondeten dat zijn dienstmeisjes

hadden bereid, vergat. Pas na middernacht kreeg de componist honger

en verzocht hij om zijn maaltijd. In Doctor Faustus beschrijft Thomas

Mann (1875–1955) Beethovens vertwijfeling als volgt:  

 

De dove zong, jankte en stampte terwijl hij boven het Credo gebogen

zat, – het was een zo ijselijk aangrijpend gehoor, dat het de aan de

deur luisterende [dienstmeisjes] het bloed in de aderen deed stollen.

Toen zij zich echter juist in diepe eerbied hadden willen verwijderen,

was de deur plotseling opengegaan, en Beethoven had in het

kozijn gestaan, – en zijn uiterlijk? Ontzettend! In verwaarloosde kleding,

de gelaatstrekken zo ontredderd dat het angst inboezemde, de

loerende ogen verward en verstrooid, had hij hen aangestaard en

de indruk gemaakt of hij juist een strijd op leven en dood (…) achter

de rug had.  

 

Toen de componist op het fornuis vervolgens een koude, verkoolde

maaltijd aantrof, barstte hij in een buitengewoon hevige woede uit die

vijf tot zes uur duurde, onafgebroken bulderend: ‘Kunt gij dan nog geen

uur met mij waken?’

Maar met hoeveel toewijding en vindingrijkheid heeft Beethoven

zijn wisselende gemoedsaandoeningen niet in muziek vertaald. Bijvoorbeeld

in zijn beroemde Negende Symfonie. Het beschouwelijk en

troostend derde deel is nog maar net uitgeklonken of we worden op ge -

schrikt door een duivelse dissonant in het koper, vergezeld van donderende

pauken, gevolgd door een heftig betoog van celli en bassen.

Na deze uitbarsting wordt een lichtere passage ingezet die steeds uitbundiger

wordt, waarna de duivelse dissonant weer de kop opsteekt.

Maar onmiddellijk valt Beethoven zichzelf in de rede. Uit volle borst

maant een zanger tot meer vreugde: ‘O Freunde, nicht diese Töne! Sondern

laßt uns angenehmere anstimmen, und freudenvollere.’ En dan

volgt het jubelende slotkoor op Schillers gedicht Ode an die Freude met

het alom bekende Alle Menschen werden Brüder waar de vreugdevonken

vanaf spatten. Dat alles in een tijdsspanne van nog geen tien minuten.

En we vinden het prachtig!

Met zijn muziek doet Beethoven niet alleen zijn luisteraars een plezier,

hij had er zelf ook voldoening van, getuige de woorden die hij 

boven het manuscript van zijn Missa Solemnis schreef: ‘Vanuit het hart –

dat het weer naar het hart mag gaan.’

Wanneer Beethoven zich als onbekend hedendaags componist met

zijn snel wisselende, hevige gemoedsaandoeningen tot de geestelijke

gezondheidszorg zou hebben gewend, zou de hulpverlener wellicht

alleen een stoornis hebben gezien – misschien van het type 

‘borderline’ – zonder ook maar te vermoeden op welke uitzonderlijke wijze

de componist zijn stemmingswisselingen in muziek vertaalt.

 

 

 


 

 

Na een succesvolle behandeling zijn de klachten waarmee de cliënt in

therapie kwam, verminderd of verdwenen. Hij is weer in staat de draad

van zijn leven op te pakken. Als het goed is, heeft de hulpverlener hem

middelen aangereikt die zijn zelfstandigheid vergroten en waarmee

hij het heft in eigen handen kan nemen. Middelen die na de therapie

van blijvende waarde zijn. Want het leven gaat door. Er zijn altijd nieuwe

ervaringen, nieuwe uitdagingen, nieuwe problemen die om een 

oplossing vragen. Een hulpverlener is geen partner of coach die zijn cliënt

jaar in, jaar uit begeleidt. Hij kan hem helpen de therapeut in zichzelf te

ontwikkelen. Hij kan hem leren om – als het nodig is – zijn veerkracht

te mobiliseren en zelf oplossingen voor zijn problemen te vinden. Zoals

de befaamde psycholoog Carl Rogers (1902–1987), grondlegger van

Client-centered Therapy het formuleerde: de cliënt beschikt zelf over

alle noodzakelijke bronnen voor verandering; de oplossingen liggen

binnen zijn bereik. Aldus fungeert de therapie als opmaat tot zelfredzaamheid.

 

Duikelaartje

Voor het verwerven van zelfstandigheid is een intensieve behandeling

niet altijd noodzakelijk. Wanneer er geen sprake is van diepgaande en

hardnekkige psychische problematiek, is een zetje in de rug soms al 

genoeg. Een therapeutische methode kan voor een cliënt een eyeopener

zijn. Een voorbeeld.

Bij psychische pijn kan het zinvol zijn de bakens te verzetten. Want

– zo leert wetenschappelijk onderzoek naar positieve emoties – vreugde

activeert. Het verruimt de blik en vergroot de verbeelding. Er komt

genezende energie vrij. Maar dat betekent niet dat negatieve emoties

dienen te worden ontkend. Want dan gaan ze als stoorzender ‘rondzingen’.

Veel mensen zijn echter geneigd emoties als verdriet, woede

en angst krampachtig te onderdrukken. Dat kan iemands energie 

zodanig blokkeren dat hij zich – ondanks zijn pogingen tot een optimistische

levenshouding – gedeprimeerd, gejaagd of gespannen voelt. In een

korte therapie kan een cliënt leren dat meegaan in de pijn soms verstandiger

is dan zich ertegen te verzetten. Dat door een afgebakende

periode van concentratie op de pijn de intensiteit ervan afneemt. Dat

hij er daarna met distantie naar kan kijken en in rust kan onderzoeken

welke oorzaken eraan ten grondslag liggen. Wanneer een cliënt binnen

de veilige context van de behandelkamer ervaart dat hij na het loslaten

van zijn emoties steeds weer als een duikelaartje in zijn centrum terugkeert,

kan dat een ‘remedie’ voor de rest van zijn leven zijn. Aldus fungeert

de hulpverlening als opmaat tot een toegenomen zelfstandigheid.

Maar een hulpverlener die te weinig op het stabiliserende vermogen

van zijn cliënt rekent en iedere negatieve emotie als een psychisch probleem

beschouwt, ziet zijn cliënt niet in zijn kracht en houdt hem langer

afhankelijk dan nodig is.

 

Als de tijd rijp is

Soms heeft een hulpverlener zijn cliënt alle middelen die voor verandering

nodig zijn in handen gegeven, maar kan de cliënt die nog niet

benutten. Daarvoor moet de tijd rijp zijn. Dat kan zelfs pas het geval

zijn wanneer een cliënt geen uitweg meer ziet. Als voorbeeld neem ik

Lucy.

Als zij eind twintig is en op kamers woont, wordt Lucy suïcidaal.

Zij gaat in therapie, maar haar hulpverleners stellen haar keer op keer

teleur. Na twee pogingen tot zelfdoding komt zij bij een vrijgevestigde 

vrouwelijke hulpverlener door wie zij zich gerespecteerd en begrepen voelt.

Lucy vertelt over haar leven. Over haar troosteloze jeugd, haar grillige

moeder, de depressies van haar vader en haar verlangen naar de

dood. haar therapeut legt haar uit dat haar huidige gevoelens van angst, 

verdriet en woede terug te voeren zijn op haar jeugdtrauma’s. Ook 

bespreken zij of er voor Lucy nog wel iets is om voor te leven. Dat is

voor beiden moeilijk en pijnlijk. ‘De uitkomst kon ook zijn dat er niks

meer was. Dat zij me niet meer op de volgende afspraak zou zien,’

aldus Lucy. Ten slotte besluit Lucy om een einde aan haar leven te

maken. Voordat zij hiertoe overgaat, schrijft zijhaar therapeut een lange 

afscheidsbrief.  

 

‘Tijdens het schrijven kwam er op een gegeven moment een om -

slag. Mijn therapeut zei namelijk altijd tegen mij dat het ook door mijn

moeder komt dat ik niet meer wil leven. Dat ik van haar te vaak

gehoord heb dat ik slecht ben. Dat vond ik zó’n onzin! Dat ben ik

toen ook gaan opschrijven. Vroeg me toen af: hoe zit dat dan? Al

schrijvend ontdekte ik dat er toch wel iets van waarheid in zat. Dat

ik eigenlijk niet zo slecht ben. Dat mijn doodsverlangen voortkomt

uit woede, haat, gemis. Ik besefte dat ik best wel wilde leven, maar

dat ik bang was voor het leven. Ik gaf mezelf geen kans. Had mezelf

nooit een kans gegeven. En ik wilde ineens niet meer een soort Jezus

zijn die zich aan het kruis laat nagelen en die dan ook nog zegt: o,

vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Dat ik wel zo

geworden was, kwam door alles wat ik meegemaakt had. Dat zag ik

toen plotseling in. Ik had het wel allemaal gehoord, wat mijn therapeut

zei, en ik kon het met mijn verstand ook wel snappen. Maar ik voelde

het niet. Ik moest het ook echt zelf vóelen! Onder het schrijven ging

het voor het eerst bij mij naar binnen. Als al die ellende er niet was

geweest, was ik waarschijnlijk een heel ander iemand geweest. Een

heel blij en spontaan iemand. Iemand die wél graag wilde leven! Ik

had het nooit echt geprobeerd... Toen heb ik mijn therapeut opgebeld 

en gezegd: ik kom op onze afspraak.’  

 

Inmiddels heeft Lucy haar therapie beëindigd en haar evenwicht 

gevonden: ‘Het is niet zo dat ik nu een heel positief persoon ben, dat ik 

een hallelujagevoel heb. Maar ik voel mij nu soms echt heel compleet.’

 


 

 

Bij psychische problemen is het niet altijd nodig een professionele hulpverlener

in te schakelen. Dat professionele oplossingen ook buiten het

circuit van de geestelijke gezondheidszorg gevonden kunnen worden,

tonen de volgende drie voorbeelden aan.

 

Een toegewijde echtgenoot

Het eerste voorbeeld laat zien hoe een liefdevolle echtgenoot de 

concentratiekampervaringen van zijn vrouw aanpakt. Het betreft het verhaal

van Ronnie. Haar hulpverlener neemt Ronnie de verantwoordelijkheid voor haar 

eigen leven uit handen en blokkeert daarmee de weg naar herstel. 

Ronnie’s tweede echtgenoot, een zakenman, helpt haar echter intuïtief op 

professionele wijze. Hij gebruikt een techniek die overeenkomt met 

Exposure therapie, een behandeling die vaak bij angststoornissen wordt 

toegepast. Deze methode houdt in dat de hulpverlener de cliënt in een veilige 

context stap voor stap met diens angst confronteert waardoor de prikkels 

die de angst oproepen  geleidelijk in intensiteit afnemen.

 

‘Telkens als mijn man merkte dat ik stil werd of verkrampte, vroeg

hij of mij iets dwarszat. Zo reden we eens in de auto over een snelweg

met van die oranje neonlampen. Dat vreemde, oranje licht dat alle

kleuren wegneemt, had ik voor eerst in Auschwitz gezien. Daardoor

zag alles er spookachtig uit. Dat was zó angstig! Ik raakte in paniek,

maar kon geen woord uitbrengen. Mijn man stopte en vroeg wat er

was. Toen ik hem vertelde wat mij beangstigde, legde hij mij heel

rustig uit dat het gewoon straatverlichting was. Hij zei: ‘Kijk maar

om je heen. Dat licht heeft niets met het kamp te maken.’ Daarna

bleven we samen zitten tot mijn angst was gezakt.

We zijn ook eens een terrein met goederenwagons opgegaan.

Toen zei mijn man: ‘Kijk, die wagons zijn leeg. Daar gaan alleen

maar materialen in. Jij hoeft daar nooit meer in. Dat is voorbij. Raak

ze maar eens aan. Er gebeurt niks.’ Zo heeft hij mij stapje voor stapje

geleerd mijn angsten te overwinnen. Want toen kon ik het beredeneren.

Als ik me onprettig voelde, vroeg ik me af hoe dat kwam.

En dan lette ik goed op of er in mijn omgeving iets was dat herinneringen

aan het kamp opriep. Een bepaald voorwerp. Een beeld of

geluid. Een geur of iemand die iets zei. Dan probeerde ik dat te 

onderzoeken. Als ik doorhad wat er aan de hand was, zei ik tegen mezelf:

dit is niet bedreigend. Deze situatie is niet tegen mij gericht. Dit

heeft niets met mij te maken. Dan nam de angst af. Zo kon ik mijn

angsten geleidelijk steeds beter de baas. Ik draag de beelden van mijn

kampverleden nog altijd bij mij, maar ik kan ze hanteren.’

 

Zelfhulpboek

Er zijn veel goede zelfhulpboeken op de markt die de weg naar een professionele

hulpverlener overbodig kunnen maken. Hier volgt een voorbeeld

van een vrouw die in een zelfhulpboek blijvend steun vindt.

 

 

Het huwelijk van Francine en haar man Rick lijdt onder spanningen

en ruzies. Rick is Francine regelmatig ontrouw, maar na zijn ‘avontuurtjes’

keert hij altijd bij haar terug. Totdat hij Francine op een keer

vertelt dat hij ‘in de zevende hemel’ is. Hij heeft zijn ‘grote liefde’ gevonden

en wil met haar verder. Francine is totaal van de kaart. ’s Nachts

ligt zij te piekeren, overdag is zij moe en gedeprimeerd. Een zelfhulpboek

biedt haar steun. Door dit boek maakt zij kennis met een boeddhistische

houding die in de hedendaagse behandelingspraktijk is opge nomen onder 

de naam ‘aandachtsgerichtheid’ (in de Engelstalige literatuur:

mindfulness): een intense oriëntatie op de actuele ervaring, een

niet-oordelende acceptatie van en overgave aan het moment.

 

‘In die tijd las ik een boek van een boeddhistische monnik. 

Een Vietnamees, ik weet niet meer hoe hij heet. Ik kreeg het 

toevallig van mijn zus. En dat was precies op het goede moment. 

Dat boek werd mijn geestelijke houvast. Ik heb er elke dag in gelezen 

hoe je met negatieve gevoelens en gedachten kunt omgaan. 

Er steeds op nieuw over nagedacht.

Het was absoluut geen theoretisch boek. Ik kon er echt

wat mee in de praktijk. Er staan tips in over dagelijkse situaties. Hoe

je met allerlei gevoelens kunt omgaan. Met woede, jaloezie of wat

dan ook. Hoe je die gevoelens zo kunt veranderen dat je er zelf wat

aan hebt. Bijvoorbeeld als je woedend bent, niet zeggen: o, wat is

dat vervelend. Maar je afvragen: waaróm ben ik woedend? Eigenlijk

de woede tot vriend maken. Dan onderdruk je die niet en ga je er heel

anders naar kijken. Dan kun je de woede geleidelijk accepteren. Dan

ga je je afvragen: Wat doet die woede met mij? Wat doet het met

anderen? Wat heb ik eraan?

Er staat ook een ademtechniek in waardoor je tot rust komt, die

ik nog steeds toepas. Twee of drie keer per dag een paar minuutjes.

Bij de inademing zeg je tegen jezelf: ik word rustig. Bij de uitademing

ga je glimlachen. Ik deed het ook vaak voor de spiegel en dan

dacht ik: o ja, ik kijk nog niet helemaal depressief, ik kan nog glimlachen.

Ik vond het heel belangrijk dat ik zo nog iets positiefs in

mijzelf kon oproepen.

Er staan ook oefeningen in over hoe je je hoofd helemaal kunt

leegmaken en heel geconcentreerd bezig kunt zijn met wat je doet.

Om op dat moment in het hier en nu te leven. Niet in het verleden,

niet in de toekomst, maar in het nu. Nu is het zó, nu voel ik dát, nu

moet ik goed ademhalen en bij deze situatie stilstaan. Dat is de

essentie van het boek.

Het was soms wel zwaar werk. Een heel geestelijk proces. Niet in

je negatieve gevoelens blijven zitten en wegkwijnen. Nee! Want er

is daarnaast ook nog wat anders. Zonder die moeilijke situatie met

die vriendin van Rick zou ik dat niet hebben geleerd. Ik weet nu: als

ik problemen heb dan kan ik daarop terugvallen, want ik heb het

beleefd en in mijn systeem opgeslagen. Dan pak ik dat boek en weet

ik weer hoe ik het moet doen.'

 

 

 

Lotgenotengroep

Ook bij anderen met dezelfde problemen, in de zogeheten lotgenotengroep,

kunnen mensen steun vinden. Lotgenoten erkennen en herkennen

elkaars verdriet, pijn en wanhoop. Dat alleen al kan soms een enorme

opluchting betekenen. Het kan een groep mensen betreffen die men

werkelijk ontmoet of een groep die men op internet bezoekt, want er

bestaan tal van websites over specifieke psychische problemen waarop

mensen ervaringsverhalen van lotgenoten kunnen lezen en met hen

in contact kunnen treden. Hier volgt een voorbeeld van een vrouw,

Heleen, die veel steun en plezier in haar lotgenotengroep ervaart.

Heleen is getrouwd en moeder van twee dochters. Haar man Eelco

is verzekeringsagent en veel onderweg. Heleen doet het huishouden

en verzorgt de opvoeding van de kinderen. Wanneer zij achter in de

veertig is, komt zij in de overgang. De overgang valt samen met het vertrek

van de kinderen. Van het zogeheten ‘lege-nestsyndroom’ heeft

Heleen geen last. Zij had eerder te kampen met een ‘vol nest’ en is blij

dat de kinderen de deur uit zijn. Nu heeft zij meer tijd voor zichzelf.

Ook de opvliegers storen haar niet. Die duren maar een paar minuutjes

en dan zijn ze voorbij. Maar zij is bang dat Eelco haar niet meer

aantrekkelijk vindt en wordt hevig jaloers. Dat is haar probleem. Als

zij overdag alleen thuis is, wordt zij geobsedeerd door de gedachte dat

hij haar met jongere vrouwelijke klanten bedriegt. Soms is zij ‘helemaal

de kluts kwijt’ en bespioneert zij Eelco tijdens zijn tocht langs klanten.

Eelco is steeds vol begrip, maar dat biedt geen soelaas. Zij wordt depressief.

Dan leest zij over een lotgenotengroep.

 

‘In een buurtkrant las ik eens over een Vido-groep in het buurthuis;

dat is een praatgroep van vrouwen-in-de-overgang, die één

keer per week bij elkaar komt. Eelco zei: “Zou dat niet iets voor je

zijn, dan leer je andere vrouwen kennen.” Dan zou ik met andere

vrouwen kunnen praten die in dezelfde situatie zaten als ik. Toen

ben ik gaan dubben. Op een avond heb ik de stoute schoenen 

aangetrokken. De eerste keer zat ik gewoon te luisteren. 

De tweede keer wilde ik lid worden en toen vertelden alle vrouwen 

om de beurt waarom ze bij de Vido waren gegaan. Dat ze lichamelijke 

klachten hadden, dat ze zich minder aantrekkelijk voelden, dat ze graag 

andere vrouwen wilden ontmoeten. En er was één vrouw die ook erg

jaloers was. Die ook haar man naar zijn werk volgde. Dat kwam me

dus heel bekend voor. Toen dacht ik: o, ik ben gelukkig niet de

enige!’

 

De Vido-groep biedt Heleen meer dan herkenning. De groep organiseert

ook creatieve middagen en gymnastiek om het lichaam in de overgang

soepel te houden. En biedt vooral gezelligheid. Heleen krijgt er

een paar goede vriendinnen met wie zij regelmatig op stap en op vakantie

gaat. En ten slotte, doordat zij zich minder afhankelijk van haar man

voelt, is zij in haar relatie met Eelco beter in staat voor zichzelf op te

komen.

 


 

 

Mensen hoeven geen passieve slachtoffers van hun aanleg of omstandigheden

te zijn. Zij kunnen hun leven zelf vormgeven. Momenteel zijn er een aantal 

– in feite eeuwenoude – methoden in zwang die op deze mogelijkheid inspringen. 

The Secret is zo’n methode. In het kort houdt die het volgende in:

 

De mens is de schepper van zijn eigen leven. Hij trekt datgene aan

waar zijn aandacht naar uitgaat. Als je je leven wilt veranderen, dien

je je gedachten en overtuigingen te veranderen. Dit doe je door je

wensen en verlangens helder en specifiek onder woorden te brengen.

Vervolgens schakel je al je denkkracht in en stel je je voor dat je wensen

in vervulling gaan. Dat moet je met hart en ziel willen. Daarbij

probeer je zoveel mogelijk te ervaren: te zien, voelen en horen. Je

dient je wel bewust te zijn van de dingen die je al hebt verworven,

om je wens te kunnen concretiseren en je tevens open te stellen voor

nieuwe dingen in je leven zodat je kunt herkennen in hoeverre je

wens wordt vervuld.

 

De beschrijvingen van de werking van The Secret wekken hoge verwachtingen.

Maar voor mensen met psychische problemen is een snelle weg

naar de vervulling van hun wensen meestal niet weggelegd. 

Veranderingsprocessen verlopen doorgaans met vallen en opstaan.

 

Crisis als kans

Vaak zijn mensen pas in staat hun leven een positieve wending te geven

wanneer zij in een onontkoombare situatie belanden. Wanneer zij te gen

een muur oplopen. Met een voldongen feit worden geconfronteerd

waardoor zij onmogelijk kunnen doorgaan met hun oude, vertrouwde

levenswijze. Dan moeten zij de situatie aanvaarden zoals die is. Als

zij de omstandigheden niet naar hun hand kunnen zetten, kunnen zij

alleen nog maar hun kijk erop veranderen. Op deze manier worden zij

gedwongen hun angst en pijn waaraan zij vaak lange tijd probeerden

te ontsnappen, onder ogen te zien – het startsignaal voor een nieuw

begin. Dan kunnen zij een ontwikkeling doormaken die belangrijke

inzichten oplevert. Constateren dat hun beproevingen een functie vervullen.

Het is mogelijk dat zij dan een samenhang ontdekken die zij

niet eerder zagen. De rode draad in hun leven. Later, als zij op de crisis

terugkijken, beseffen zij dat de verworven inzichten hun leven rijker

en waardevoller hebben gemaakt. Het is niet voor niets dat het woord

dat de Chinezen voor crisis gebruiken – wei-ji – is samengesteld uit

twee karakters: één voor ‘gevaar’ en één voor ‘gunstige gelegenheid’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Of in de woorden van Francine, die ik in het vorige hoofdstuk onder

het kopje Zelfhulpboek introduceerde:

 

‘Die moeilijke situatie heeft mij laten zien dat ik in problematische

situaties goed kan functioneren. Dat ik dan pas mijn krachten echt

goed naar boven kan halen. Misschien gebruik ik doorgaans te weinig

van mijn energie of mogelijkheden. Want die worden meestal

niet zo aangesproken. Zo ben ik vaak introvert, bescheiden en onzeker.

Maar als het moet, kan ik het tegendeel ontwikkelen. Dan kan

ik de keerzijde laten zien. En in een crisissituatie, tja, dan moet je

wel vindingrijk worden. Zo van: zeg het maar, ik doe het wel!’

 

Hieronder presenteer ik enkele verhalen van personen die een crisis,

een levensprobleem of een reeks traumatische ervaringen ten goede

wisten te keren. Mensen die niet bij de pakken bleven neerzitten en

ontdekten dat zij over meer veerkracht beschikten dan zij dachten.

 

Hoog en laag

Suzan komt uit een arm gezin met zes kinderen. Als zij nog klein is,

wordt haar moeder ernstig ziek. Om die reden wordt zij regelmatig

voor kortere of langere tijd naar familieleden of kindertehuizen ge -

stuurd. Zij lijdt onder een autoritaire opvoeding. Als zij haar mening

geeft of voor zichzelf opkomt, krijgt zij niet zelden slaag. Desondanks

bouwt Suzan een succesvolle carrière als zangeres op. Zij heeft een hoge

sopraan met een prachtige glans waarmee zij veel lof oogst. Zij is trots

dat zij dit op haar eentje, zonder enige hulp van haar ouders, heeft

bevochten en geniet van haar sterstatus.

Suzan merkt dat ernst, problemen en verdriet niet samengaan met

zo’n hoge stem. Dus is zij ‘eeuwig vrolijk’. Totdat zij verliefd wordt op

Leon, ‘een heel serieuze, diepgravende jongen’. Leon is niet alleen 

geïnteresseerd in de succesvolle zangeres, de lovende recensies, de buitenkant,

maar ook in wat er achter de glamour schuilt. Wanneer zij samen

op vakantie gaan, stelt hij Suzan vragen over haar achtergrond, over

haar jeugd. Daarmee weet zij zich geen raad.

 

‘Ik verkrampte helemaal. Raakte apathisch door zijn onverwachte

vragen. En werd ziek. Een dikke keel. Maagpijn. Gigantische migraine.

Bonk, bonk, bonk. Maar we werden zo intiem dat ik er niet on -

deruit kon. Ik moest met de billen bloot. En toen ben ik toch over

mijzelf gaan vertellen. Leon was heel lief, waardoor ik nog meer van

hem ging houden. En toen zijn er heel veel emoties losgekomen.

Verdriet en kwaadheid. Ik wilde daarna graag uit dat glamourplaatje

stappen dat ik van mezelf had gecreëerd. Maar daar kon ik niet

zomaar afstand van nemen.’

 

En dan overkomt Suzan de grootste ramp die haar in haar ogen kan

overkomen: door alle doorstane emoties kan zij met haar stem alleen

nog maar met moeite de hoogte in. Als zij zingt, moet zij zich forceren.

 

‘Om hoog te zingen moest ik vrij zijn van emoties. Maar ik kon

mijn gebruikelijke vrolijkheid niet meer opbrengen. Ik moest mijn

gemoed steeds meer opschroeven en oppompen. Pas dan was ik weer

de kwinkelerende sopraan. Leon had het daar heel moeilijk mee.

Want die kende inmiddels de andere Suzan. Ik ging de dingen scheiden.

Bij Leon was ik mezelf. Maar als ik een optreden had, moest hij

wegwezen.’

 

‘De boel opschroeven’ wordt steeds meer een kwelling. Het put haar

uit. Collega’s adviseren haar met een lagere stem te gaan zingen, maar

dat weigert zij. Zij dankt haar succes immers aan haar uitzonderlijk

hoge stem. Het is óf hoog óf niet zingen. Aangezien zij niet meer hoog

kan zingen, wordt het stoppen. Zij vervalt in een diepe depressie die

jaren duurt. Leon zorgt voor haar en probeert haar ertoe te bewegen

hulp te zoeken. Uiteindelijk gaat zij naar een organisatie voor ambulante

geestelijke gezondheidszorg. Zij ervaart er echter weinig betrokkenheid,

voelt zich niet begrepen of gesteund, en komt van de regen in

de drup. Zij wil alleen nog maar dood en bereidt een zelfmoord voor.

Leon houdt haar tegen en beweegt haar ertoe een vrijgevestigde hulpverlener

die als bekwaam bekend staat, te bellen. Zij kan meteen terecht,

maar moet wel een contract tekenen dat zij tijdens zijn therapie geen

zelfmoord pleegt. De hulpverlener, Cliff, past een methode toe die

verwant is aan The Secret.

 

‘Cliff vroeg: Wat zijn je wensen? Wat wil je graag? Hoe zie je jezelf

graag? Ik zei: “Nou, ik wil graag zangeres zijn. En misschien wil ik

ook wel een kind.” “En,” vroeg hij, “heb je nog meer wensen?” “Ja,

ik wil graag buiten wonen.” O, dacht ik, wat wil ik eigenlijk nog veel

behalve dood zijn. Cliff zei dat we dat allemaal in anderhalf jaar voor

elkaar zouden krijgen. Mits ik het niet opgaf. Ik moest mij heel reëel

voorstellen hoe mijn toekomst eruit zou zien. Hij zei bijvoorbeeld:

“Prik een datum in de toekomst waarop je buiten woont.” Hij liet

mij kranten en exclusieve woonbladen kopen, en mooie buitenhuizen

uitknippen. Alsof ik echt van plan was een van die huizen te

gaan kopen. Zo werd mijn droombeeld minder onwerkelijk.’

 

Cliff leert Suzan tal van andere oefeningen om haar leven vorm te

geven op een manier die zij wenst en die haar wil versterken.

‘Het waren een soort zenboeddhistische oefeningen waaruit bleek

hoe sterk je geest eigenlijk wel is. Je kunt je zó sterk op iets concentreren

dat je geest de macht krijgt over de materie. Negativiteit kan

alleen de overhand krijgen als je het zelf toelaat. Dat is wat ik ervan

heb geleerd. Zo heb ik mijn wil leren ontwikkelen. Het uitgangspunt

was: met je wil, je intentie, lukt het altijd.’

De therapie is echter geen wondermiddel. Suzan krijgt het niet cadeau.

Zij dient het verdriet, de wanhoop en de angst die zij met haar depressie

lange tijd buiten de deur heeft weten te houden, onder ogen te zien

en zich eraan over te geven. Haar hoge stem krijgt zij er niet mee terug.

Zij gaat lessen nemen om als mezzosopraan lager te leren zingen. Na

drie jaar is zij echt een ‘mezzo’. In Nederland wordt zij gezien als een

‘afgezakte sopraan’ en komt ze niet ‘aan de bak’. Zij moet zich eerst in

het buitenland bewijzen. Uiteindelijk lukt het haar om ook in Nederland

een nieuwe start te maken.

 

‘Ondertussen onderging ik een ware metamorfose. Want mijn

karakter veranderde ook. Ik voelde mij ineens stevig op de grond

staan. Geaard. Als sopraan liep ik altijd op mijn tenen, met opgetrokken

schouders. Ik kan nu zijn wie ik ben. Met mijn emoties.

Want die zijn niet meer verboden. Ik kan ze zelfs gebruiken ter verdieping

van de muziek en er mijn geld mee verdienen. Dat is het

mooiste geschenk dat ik kon krijgen.’

 

Inmiddels heeft zij twee kinderen en woont zij in een buitenhuis.

 

Tijd voor thee

Het volgende voorbeeld betreft een crisis die op het eerste gezicht niet

zo ingrijpend lijkt als die van Suzan, maar die in feite van een diepe

levensangst getuigt.

De Belgische componist Karel Goeyvaerts (1923–1993) is in de jaren

vijftig van de vorige eeuw een aanstormend talent en dikke vrienden

met de wereldberoemde Duitse componist Karlheinz Stockhausen

(1928–2007). Hij laat zich bij het componeren niet door zijn gevoelens

en stemmingen leiden, maar zoekt naar volkomen gecontroleerde en

geperfectioneerde klanken. Die vindt hij in de elektronische muziek,

in klanken die kunstmatig worden opgewekt. Er komt geen musicus

meer aan te pas. Tijdens uitvoeringen van zijn werk staan slechts twee

speakers op het podium, destijds het toppunt van moderniteit.

Goeyvaerts is bezeten van deze volmaakt beheerste klankwereld.

Maar hij krijgt de klanken niet zoals hij ze hebben wil. Hij loopt vast in

de wurggreep van de perfectie en raakt in een diepe crisis. ‘Ik zag geen

uitweg, ik schreef gewoon niets meer,’ aldus de componist. Tijdens zijn

crisis beseft hij dat zijn behoefte aan totale klankbeheersing voortkomt

uit angst, dat hij zijn angst met perfectie krampachtig – ‘met verbeten

geweld’ – in de hand probeert te houden. ‘En toen kwam het verlossende

idee: alles opgeven, van het nulpunt af herbeginnen.’ Zo ontsnapt

hij uit zijn zelf gecreëerde muzikale gevangenis.

Hij gaat als vertaler werken bij de Belgische luchtvaartmaatschappij

Sabena. ‘Dat alles gaf mij de ongekende en prettige gewaarwording

een “gewoon mens” te zijn.’ Het duurt niet lang of hij slaat weer aan

het componeren, nu ‘uit louter liefhebberij’. Dan krijgt hij de artistieke

leiding over een muziekorganisatie die gevestigd is in een groot herenhuis

in Gent. De atmosfeer, de rustige stemming in dat oude huis,

‘waar tijd is voor thee’, biedt ruimte voor een nieuwe stijl van componeren.

‘Ik ben toen gaan uitkijken naar manieren om het menselijke

aan bod te laten komen. Er is in die tijd een emotioneel element in

mijn muziek geslopen,’ aldus Goeyvaerts. ‘Ik denk dat ik überhaupt in

een emotioneel en intuïtief leven ben ontwaakt.’ Daarna volgt nog een

lang en een vruchtbaar leven als componist.

 

Cement

Het laatste voorbeeld betreft een man met extreem traumatische 

ervaringen. Als jongvolwassene komt hij volkomen gebroken uit de oorlog

terug. De zware beproevingen die hij moest doorstaan, gebruikt hij als

inzet om zijn verdere leven op een vruchtbare wijze vorm te geven.

 

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog sluit de zeventien -

jarige Bill (Sebil) Minco (1922–2006) zich aan bij het Geuzenverzet. Samen

met een klasgenoot maakt hij een spionagekaart van zijn woonplaats

Rotterdam met alle militaire gegevens die hij maar te pakken kan krijgen.

Nog geen jaar later wordt de verzetsgroep door verraad opgerold.

Ook de spionagekaart wordt ontdekt. In januari 1941 wordt Bill tijdens

de Duitse les door de Grüne Polizei uit zijn schoolklas gehaald en gearresteerd.

Hij wordt overgebracht naar het Oranjehotel, de Scheveningense

gevangenis, en op 4 maart samen met een aantal andere Geuzen

ter dood veroordeeld. Wegens zijn jeugdige leeftijd ontsnapt Bill aan

deze executie. Op 13 maart wordt zijn doodstraf omgezet in levenslang

tuchthuis.

Twee maanden later wordt hij overgebracht naar een tuchthuis in

Untermaßfeld, waar hij zeventien maanden in Einzelhaft – eenzame

opsluiting – zit. Wanneer de tuchthuizen – zoals de nazi’s dat satanisch

noemden – judenrein worden gemaakt, wordt Bill, die joods is, naar

het concentratiekamp Mauthausen gedeporteerd waar hij als dwangarbeider

in de steengroeve moet werken. Na anderhalf jaar ontberingen

en doodsangst wordt hij, aan het einde van zijn Latijn, op transport

gesteld naar het concentratiekamp Auschwitz.

Bill blijft leven omdat hij volgens de bizarre, tegenstrijdige regels

van de nazibureaucratie niet mocht worden vermoord. Hij was een

zogenaamde Schutzhäftling, een gevangene met een beschermde status.

Als veroordeeld misdadiger moest hij zijn straf uitzitten en mocht

hij niet worden vergast. Want dat zou een verkorting van de straf hebben

betekend.

Na de hel van Auschwitz en ook de dodenmars naar Dachau te hebben

overleefd, wordt hij op 30 april 1945 door de Amerikanen bevrijd.

 

Ik sprak Bill in 2004, twee jaar voor zijn dood. Als tweeëntachtigjarige 

blikt hij als volgt op zijn leven terug.

 

‘Mijn opvoeding thuis was, denk ik, beperkt. Mijn vader was 

vertegenwoordiger en de hele week op reis. Moest hard werken om op

een bepaald niveau te kunnen leven. Eten, drinken, vakantie, een

eigen kamer. Dat was allemaal perfect in orde. Met liefde. Maar zonder

enige inhoud. Voor leren had ik helemaal geen belangstelling.

Op de hbs heb ik bijna alle klassen gedoubleerd.

De oorlog heeft mij gevormd. In negatieve en in positieve zin. Ik

kan niet bedenken wat ik zonder die ervaringen zou zijn geworden.

In die vierenhalf jaar heb ik een heel leven geleefd. Een leven waar

andere mensen nooit aan toekomen. In die tijd heb ik ongelooflijk

veel meegemaakt. Mensen naakt gezien, letterlijk en figuurlijk. 

Gezien waartoe de mens in staat is. Tot welke dieptepunten. En tot

welke hoogtepunten. Dat zijn allemaal bouwstenen die mijn leven

hebben verrijkt. Want ook negatieve ervaringen kunnen – mits

verwerkt – bijdragen aan het wezen van de mens. De mens vormen.

In de Einzelhaft heb ik – achteraf gezien – mijzelf leren kennen.

Dat kwam door de grote leegte waarin alles tijdloos werd. Ik wist

niet meer wat een uur of een dag was. Ik zag alleen dat het licht of

donker werd. De tijd glipte tussen mijn vingers door. Steeds kom je

weer in je eigen cirkel terecht! En dan heb je een kracht nodig, groter

dan die van je eigen “zwaartekracht” om daar uit te komen, namelijk 

geestkracht! Dan vind je op de puinhopen van jezelf nieuwe

en ongekende waarden terug, die in je verdere leven, na je gevangenschap,

van ongelooflijke betekenis blijken te zijn.

Een soort houvast is geweest dat ik van de bibliothecaris in de

gevangenis vrij regelmatig Duitse literatuur kreeg. De eerste bibliothecaris

gaf me alleen nazilectuur. Zijn opvolger vroeg wat ik graag

wilde hebben. Toen heb ik vaak de Faust van Goethe gekregen. Hele

stukken heb ik uit mijn hoofd geleerd. Ik was jong. Ik had geen

geestelijke bagage. Ik denk dat de Faust mij gedeeltelijk heeft 

gevormd. Aan het denken gebracht. Ik vond het een prachtige taal.

Schitterende formuleringen. De Faust is een deel van mijn leven

geworden.’

 

Als Bill uit de kampen terugkeert, duurt het meer dan tien jaar voordat

hij weer een beetje overeind gekrabbeld is.

 

‘Na vierenhalf jaar lichamelijke en geestelijke vernedering kun je

natuurlijk niet op 30 april 1945 de knop omdraaien. Ik was uit elkaar

geslagen. Ik kwam in brokken terug. Er was helemaal niets meer van

me over. Die brokken moesten aan elkaar komen. Dat móest! Die

geestkracht moest ik opbrengen. De wil om dat te doen! Om te

leven! Of je moest je hoofd in de schoot leggen, zoals zovelen...

Wakker liggen... Kapot gaan...

Het klinkt raar, maar bij mijn terugkomst in Nederland had ik

óók positieve gevoelens: ik leef dus ik moet er wat mee doen. Geen

flauw idee wat. Maar ik móet er wat mee doen! Ik heb het niet voor

niets overleefd. Het kan niet zinloos zijn geweest! Ik ben ergens voor

bestemd.

Ik heb er wel tien jaar voor nodig gehad om die brokken weer

enigszins aan elkaar te krijgen. Om er cement tussen te voegen. En

ik moet altijd oppassen dat dat cement ertussen blijft. Dat is de rode

draad in mijn leven. Want brokken blijven brokken. Die voegen

blijven er altijd zitten.’

 

Tot Bills cement behoort onder meer zijn weigering Duitsers te haten.

Goethe’s Faust heeft hem daarbij geholpen. Hij kon onmogelijk alle

Duitsers haten. Want dan zou hij Goethe óók moeten haten. En andere

Duitse schrijvers of componisten die hij bewondert.

 

‘Niet dat ik niet kán haten, hoor. Ik heb altijd gezegd: als ik een ss-er

tegenkom die ik herken, bijt ik ’m zijn strot af. Dat is natuurlijk

makkelijk praten. Ik zou het niet doen. Maar het belangrijkste is: ik

wíl niet haten. Want ik heb aan den lijve ondervonden waartoe haat

mensen brengt. Dat niet haten is wél een heel proces geweest...

Ik kan ook geen ruziemaken en kan het heel moeilijk verdragen

als anderen dat in mijn aanwezigheid doen. Ik weet niet of dat een

goede eigenschap is. Want soms kan ruziemaken heel verfrissend

zijn. Soms denk ik wel eens achteraf: je had misschien beter lekker

ruzie kunnen maken. Maar ik kan het niet. Dat heb ik in de oorlog

niet meegemaakt: lekker ruziemaken. Ruzie is levensgevaarlijk.’

 

Bill trouwt en krijgt drie kinderen. Met een paar matrassen die een oom

hem geeft, begint hij een winkel. Hij weet de zaak met vallen en opstaan

min of meer draaiende te houden. Later groeit de winkel uit tot een

grote beddenzaak. Bill wil een maatschappelijke bijdrage leveren. Hij

wordt voorzitter van de middenstandsvereniging van zijn woonplaats

Hilversum. Eind jaren vijftig wordt hij gevraagd in de gemeenteraad.

Hij blijft er vijfentwintig jaar, eerst als raadslid, dan als wethouder.

 

In de jaren zeventig belandt hij in een crisis en wendt hij zich tot

een in oorlogsslachtoffers gespecialiseerde hulpverlener. De hulpverlener

heeft voornamelijk oog voor zijn trauma’s. Hij kan niet vatten dat

Bill zijn oorlogservaringen tot nut van de samenleving wil omsmeden.

Dan ziet Bill van een behandeling af.

Midden jaren tachtig wordt hij voorzitter van de Stichting Geuzenverzet

1940–1945 die het gedachtegoed van de Geuzen op de jongere

generatie overdraagt: streven naar respect, naar gelijkwaardigheid van

mensen, naar een menswaardiger wereld. In die functie speelt hij een

belangrijke rol in het voorlichten van schoolkinderen.

Sinds 1987 reikt de stichting ieder jaar de Geuzenpenning uit aan

iemand die heeft bijgedragen aan een menswaardiger wereld. In 1990

mag Bill de penning persoonlijk uitreiken aan Richard von Weizsäcker,

de eerste naoorlogse Duitse president die erop wees dat de volkenmoord

op de joden zijn weerga niet kent en dat er zonder erkenning

van het verleden geen verzoening mogelijk is.

 

‘Op dat moment heb ik – achteraf gezien – de oorlog gewonnen.

Dat ik dat kón! Dat vind ik een hoogtepunt! Want het is niet moeilijk

om vriendschap te sluiten met je vrienden. Het is veel moeilijker

om vriendschap te sluiten met je vijanden.’

 

Als zakenman, politicus en bestuurder probeert Bill steeds onenigheden

tussen mensen in goede banen te leiden. Bruggen te bouwen.

 

‘Ik ben in brokken uit de oorlog gekomen. En het blijven brokken.

Ik denk dat ik mijn hele leven bezig ben geweest om te zorgen dat

die brokken niet meer uit elkaar gingen. Om dat cement ertussen te

houden. Maar ik voel me geen slachtoffer. Integendeel! Tot het ce -

ment behoort de wijze waarop ik mij in de maatschappij heb gemanifesteerd.

Het is voor mij een behoefte om mensen bij elkaar te houden.

Voor dat samenbinden van andere mensen gebruik ik, denk

ik, hetzelfde cement als voor het samenvoegen van mijn eigen brokken.

Dat is allebei een gevolg van de oorlog: houd de boel bij elkaar!

Want ik heb gezien hoe het níet moet.’

 

‘The skies’

Dat mensen in staat zijn hun tegenspoed ten goede te keren, wist ook

Emily Dickinson (1830–1886), een van de grootste Amerikaanse dichters.

Hier een strofe uit een van haar gedichten:

 

We never know how high we are

Till we are asked to rise

And then if we are true to plan

Our statures touch the skies

 

(Wij weten nooit hoe groot wij zijn

Tot men ons vraagt te staan

En als de wens er waarlijk is

Raakt ons formaat de hemel aan)

 

Portret van Emily Dickinson

 

De dichteres kon het weten. Zij leed aan een chronische nierziekte die

veel pijn veroorzaakte. Om die reden was zij genoodzaakt een terug-

getrokken leven te leiden. Haar pijn en eenzaamheid hebben prachtige

poëzie opgeleverd.

 

 


 

 

In de roman Van de koele meren des doods, in 1900 gepubliceerd door de

Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860–1932),

komen tal van psychologische onderwerpen aan bod die ik in het voorafgaande

heb beschreven. De roman werd in 1982 door Nouchka van Brakel verfilmd 

met Renée Soutendijk in de hoofdrol.

‘De geschiedenis van een vrouw. Hoe zij zocht de koele meren des

Doods, waar verlossing is, en hoe zij die vond.’ Zo begint Van Eeden

de roman over het veelbewogen leven van Hedwig Marga de Fontayne.

Hoewel blij, open en spontaan, is Hedwig van kindsbeen af regelmatig

ten prooi aan depressies en voelt zij zich aangetrokken tot de dood. Zij

doet twee suïcidepogingen, beleeft een psychose en belandt als 

morfinehoertje op de straten van Parijs. Maar anders dan haar literaire

lotgenoten Madame Bovary (Flaubert, 1857), Anna Karenina (Tolstoj,

1877) en Eline Vere (Couperus, 1889) – evenals Hedwig gevangenen

van de bekrompen Victoriaanse moraal – eindigt haar leven niet met

een zelfgekozen dood, maar in vrede.

De romanfiguur Hedwig is samengesteld uit diverse vrouwen in het

leven van Frederik van Eeden, onder wie vrouwen die hij als psychiater

in behandeling had en Jeanette, een morfineverslaafde prostituee die

hij in Parijs had leren kennen. Van de koele meren des doods is geschreven

als een quasi-biografie.

Na het verschijnen van de roman vroeg men zich af of er sprake was

van het verslag van een ziektegeschiedenis. In een kort voorwoord bij

de tweede druk reageert Van Eeden hierop. Hij ontkent ten stelligste

dat het werk ‘een zielkundige studie van een min of meer pathologisch

geval’ betreft, maar vanuit een ‘schoonheidsemotie voor een zielsgebeuren’

is ontstaan. Hedwig is niet ‘ziekelijk’, maar wordt door haar

gevoelige aard meer dan anderen blootgesteld aan ‘schadelijke invloeden’

van de maatschappij. Van Eeden noemt haar ‘uiterst fijn en edel

bewerktuigd’. In onze tijd zouden wij van ‘hooggevoeligheid’ spreken.*

Dankzij haar psychische spankracht weet Hedwig haar pijnlijke

ervaringen ten goede te keren. Dat is volgens Van Eeden ‘het prachtige

thema’ dat hij in zijn roman heeft willen vormgeven.

Van Eeden was zijn tijd ver vooruit. Mijns inziens zijn diens opvattingen

nog steeds actueel. Aan het einde van de roman, wanneer Hedwig

in een ziekenhuis met zuster Paula, een ‘liefdeszuster’, een aantal

gesprekken voert, geeft hij zijn visie op het therapeutisch proces. 

Daarmee wil ik deel 3 besluiten, maar eerst volgt een samenvatting van 

Hedwigs leven voorafgaande aan die gesprekken.

__________

*Hooggevoelige mensen hebben een diep gevoelsleven, een rijke fantasie en levendige dromen. 

Zij zijn afkerig van eentonigheid, zoeken intense ervaringen en zijn gevoelig voor – ook onuitgesproken – 

stemmingen van anderen. Hierdoor hebben zij veel behoefte aan introspectie en rust.

 

Van de koele meren des doods

Hedwig, een bekoorlijk meisje, groeit in het midden van de negentiende

eeuw op als kind van welvarende ouders. Van kindsbeen af beklemt

haar de dorre saaiheid van het burgerlijk bestaan. Toch is zij levendig

en spontaan. Al heel jong voelt zij een verlangen naar iets wat alles te

boven gaat. Iets wat haar leven verheft en haar hele wezen vervult. Zij

ervaart die vervulling in wat zij noemt haar ‘hartsgevoel’, momenten

waarin zij haar eigenheid intens beleeft en het ‘nu’ ten volle ervaart.

Dan prevelt zij haar naam. ‘Ik, ik, ik – ikzelf, ik ben Hedwig.’ Deze 

momenten hebben een bijzondere lading voor haar. Zij vergeet ze nooit.

Zij voert hierover innige, diepgevoelde tweegesprekken met God, als

met een dierbare vriend die alles weet en begrijpt. Na zo’n hartsgevoel

is zij de rest van de dag vrolijk.

Op het buitenverblijf van de familie geniet Hedwig intens van de

natuur. Ook de feestdagen, wanneer de grauwe ontvangstkamer wordt

omgetoverd in een ‘schitterzaal’, tillen haar uit boven de eentonigheid

van het dagelijkse leven. De glaasjes wijn die zij krijgt en de meeslepende

muziek brengen haar in vervoering. Op zo’n feestavond ervaart zij

spontaan een orgasme. Dit gaat met een ‘hartsgevoel’ gepaard en verwart

haar.

De godsdienstlessen op school brengen erotiek en seksualiteit in een

sfeer van schuld en schaamte. Het verbodene wordt nu echter spannend

en geheimzinnig, en oefent daarom een aantrekkingskracht op

haar uit. Zij krijgt ongebreidelde erotische fantasieën. Een huishoudster

die na het overlijden van haar moeder het roer overneemt, meent

Hedwig met haar zinnelijke natuur te moeten ‘tuchtigen’. Wanneer die

haar in drift een bloedneus slaat, doet Hedwig haar eerste zelfmoordpoging.

Aldus ontstaat in de woorden van Van Eeden ‘de scheiding

van de innigheid van de ziel en de innigheid van het lichaam’.

Op haar achttiende trouwt zij met de goedhartige Gerard. Gerard is

evenals Hedwig verminkt door de bekrompen seksuele moraal van

zijn tijd. Tot seksueel contact is hij niet in staat. De dagelijkse sleur van

haar huwelijk wordt Hedwig een gruwel. Toevallig komt zij in die tijd

in de kleine, armoedige boerenhoeve van vrouw Harmsen die zojuist

van haar zevende kind is bevallen. Hedwig, die graag moeder zou zijn,

voelt de behoefte om te helpen. Zij geniet ervan en ontdekt dat vrede

iets in zichzelf is. Gerard beseft dat hij Hedwig een kind moet schenken.

Hedwig ‘droeg het ondragelijke’. Zij krijgt echter een fysieke 

afkeer van haar man, van zijn liefkozingen en zijn nabijheid. Zij begrijpt

het niet want zij houdt echt van hem. Er worden diverse artsen 

geraadpleegd. Hedwig wordt naar een inrichting gestuurd, waar zij door

een jonge arts ‘geheel wordt gewreven en geknepen’, een behandeling

die haar seksueel prikkelt. Hoewel zij zich niet tot de arts voelt aangetrokken

en beseft dat hij onzuiver handelt, vindt zij het aangenaam.

Ook wanneer zij een kuur ‘met elektriciteit’ ondergaat, kan de behandelend

arts niet van haar afblijven. Weer thuis, hervat zij haar doelloos

leven. ‘En zij kwam ertoe alles te haten wat zij zag en onderging.’

Hedwig besluit de zomermaanden in een hotel aan zee door te brengen,

in de hoop dat het gevoel van weerzin zal wijken en zij weer naar

huis en man zal verlangen. Wanneer zij in het hotel pianomuziek van

Beethoven, Chopin en Liszt hoort, voelt zij ‘iets hards versmelten in

zichzelf, iets geslotens langzaam opengaan’. Verheugd dankt zij de pianist,

Ritsaart, een mooie, gevoelige man, een bohémien die zijn eigen

gang gaat. Binnen enkele dagen zijn de twee tot over hun oren verliefd

op elkaar. Wanneer zij weer thuis is, zien de geliefden elkaar regelmatig,

onder meer bij Joob, een invalide vriend van Ritsaart. Met hem

voert Hedwig vele gesprekken. Volgens Joob voelt zij zich ongelukkig

omdat ‘zij zich door twee dienstmeisjes laat bedienen en alles, werkelijk

alles door anderen laat doen’. En dat leidt tot ‘ontaarding, verveling,

levensmoeheid, sufheid, saaiheid en de rest’.

In haar argeloosheid meent Hedwig dat zij haar relatie met Ritsaart

‘zuiver’ kan houden. Maar ten slotte is zij haar man ontrouw. Gerard

raadt wat er gaande is en dreigt Ritsaart te vermoorden, de aanleiding

tot Hedwigs tweede suïcidepoging. Als zij hiervan is hersteld, bant

Gerard haar uit zijn leven. Daarop vertrekt zij met Ritsaart op een

concerttournee door Engeland. Wanneer zij hun intrek in een huisje

aan de zuidkust van Engeland nemen, wordt Hedwig zwanger. Zij komt

tot rust, maar Ritsaart gedijt niet in het stille en afgelegen oord. Hij

wordt ongeduldig en wrevelig. Zij hebben regelmatig ruzies. Door haar

zwangerschap neemt Hedwigs lichamelijke verlangen naar Ritsaart af.

Dan gaan zij aan elkaars liefde twijfelen. Ritsaart, gewend aan een zwervend

bestaan, laat Hedwig soms weken alleen.

Als hij na een ruzie weer eens is vertrokken, bevalt Hedwig te vroeg

van een dochtertje. Het kind is zo zwak dat het na drie weken overlijdt.

Hedwig raakt in een psychose. Zij pakt het lijkje samen met haar juwelen

in een tas en vertrekt. Zij wil terug naar Holland, maar wordt onderweg

van haar tas beroofd en door de dief op een trein naar Parijs gezet.

Daar wordt zij in haar psychotische toestand opgenomen in het ziekenhuis

La Salpêtrière.*

__________

* La Salpêtrière was in de tweede helft van de negentiende eeuw een befaamd  centrum voor onderzoek 

naar onder meer dissociatieve stoornissen, waar veel beroemde artsen werkzaam waren of studeerden 

onder wie Pierre Janet en Sigmund Freud.

 

Wegens haar agitatie wordt zij in een cel opgesloten, door haar 

behandelend arts met mededogen gadegeslagen. Dag en nacht spreekt, 

zingt en tiert zij door. Totdat zij na zes weken ‘uit haar verbijstering 

ontwaakt’. De arts informeert naar haar achtergrond, maar Hedwig wil 

niets loslaten. In haar anonimiteit voelt zij zich vrij.

Als zij uit het ziekenhuis wordt ontslagen, heeft zij niets en niemand.

De arts, door Hedwig bekoord, besluit haar zolang in zijn huis op te

nemen. Hij verleidt haar ook tot seksueel contact. ‘Niet dat zij hem 

inderdaad lief kreeg, maar zij voelde dankbaar en geneigd hem goed te

doen, en tevens onverschillig omtrent haarzelf, week en slap, zonder

weerstand, door de pas doorstane ziekte.’ Wanneer zij de arts ten slotte

afwijst, zoekt deze een kamer en een baantje voor haar. Hedwig is

bang voor het terugkeren van de psychose. Om die reden geeft de arts

haar morfine. Zij raakt eraan verslaafd. Haar inkomsten zijn niet voldoende

voor haar dagelijkse doses. Aldus belandt zij in de prostitutie.

Ondanks alles is haar veerkracht niet gebroken. Soms is zij echt vrolijk

en opgewekt. Verbaasd constateert zij: ik ben veel ongelukkiger dan

vroeger, zou men zeggen, en toch denk ik minder aan zelfmoord. Maar

de verslaving eist haar tol. Zij wordt ziek. Wanneer zij op een keer op

straat flauwvalt, wordt zij naar een ziekenhuis gebracht. Daar lijdt zij

hevig onder de onthoudingsverschijnselen. Dagenlang ligt zij koortsig

te hijgen en kan zij geen voedsel verdragen. Wanneer zij uit hunkering

naar het middel uit een achtergehouden flesje stiekem morfine gebruikt,

en dit tegenover de behandelend arts ontkent, roept deze de hulp

in van ‘zuster Paula van de bovenzaal’. Want die weet er wel raad mee.

Zuster Paula neemt Hedwigs hand en zegt met zachte stem: ‘Je jokt

en je wilt niet jokken. Wat je wilt, doe je niet, wat je niet wilt, doe je.

(…) Zullen we het nu samen nog eens proberen met het laatste restje

van je wilsmacht? Er is nog maar een klein restje nodig. Denk maar dat

je tegen een snelle bergstroom opworstelt. Nog een klein eindje… heel

klein… dan komen de stille wateren.’ Vol schaamte geeft Hedwig haar

het flesje. ‘Nu is het goed,’ zegt zuster Paula. ‘Nu heb je vooreerst genoeg

gedaan. Nu mag je rusten.’ In de dagen die volgen, komt zuster Paula

Hedwig regelmatig even moed inspreken.

 

De rode draad

Nadat de ergste onthoudingsverschijnselen zijn geweken, volgen zeven

gesprekken met zuster Paula. De gesprekken zijn op te vatten als een

kortdurende psychotherapie. Hierin geeft Van Eeden zijn nog steeds

actuele visie op de hulpverlening.

 

De veerkracht van de hulpvrager

Zuster Paula zet Hedwigs leven in perspectief. Zij laat haar de rode

draad in haar leven zien. Hedwig komt terug op zuster Paula’s ‘stille

wateren’ en zegt: ‘Ik heb altijd dood gewild. Ik verlangde naar die grote

rust. Ik noemde het: stille wateren, grazige weiden, koele meren.’ ‘Let

nu op,’ zegt zuster Paula, ‘er is leven dat dood is, en er is een dood die

leven is.’ Hedwig zocht de lichamelijke dood. Zuster Paula laat haar

zien dat ‘de koele meren des doods’ juist tijdens het leven bereikbaar

zijn. Dat zij rust kan vinden. Voldoening, vervulling en levensvreugde.

Hiermee vertolkt Van Eeden zijn opvatting dat de mens ondanks

erfelijkheid of milieu vrij is om te kiezen hoe hij zijn bestaan inricht.

In zijn eigen woorden: een mens kan door de diepste diepten gaan en

toch tot grote innerlijke hoogte stijgen. Zo laat hij zuster Paula zeggen:

‘Aan je dieper zelf raken je stoornissen niet.’ En: ‘Jij weet dat je bent

verhelderd door je ellende. Jij weet, juist méér dan je wist.’ Maar zuster

Paula begrijpt dat dit voor iemand die zich ellendig voelt, moeilijk te

vatten is zolang hij de ‘schat in het leed’ nog niet heeft ontdekt. Zij 

geooft echter in Hedwigs veerkracht en is ervan overtuigd dat zij haar

schat zal vinden – zoals ook de voorbeeldpersonen uit de vorige 

hoofdstukken hun schat vonden.

Zoals veel mensen met psychische problemen heeft ook Hedwig niet

uit eigen beweging hulp ingeroepen. Zij is pas tot een keerpunt in staat

als zij in een onontkoombare situatie is beland. Tegen zuster Paula zegt

zij dat zij geen hulp heeft gezocht omdat zij zich voor haar tekortkomingen

schaamde. Zuster Paula meent dat dit in feite ‘hoogmoed’ is, ‘een

afkeer om je gebreken te verdragen’. Als Hedwig haar fouten onder ogen

had willen zien en zichzelf had kunnen accepteren zoals zij was, zou zij

haar leven eerder een wending hebben gegeven, aldus zuster Paula.

 

De neutrale empathie van de hulpverlener

In het boek laat Van Eeden tussen de regels door zien dat hij als psychiater

een houding van neutrale empathie voorstaat zoals ik in deel 2 heb

beschreven. In de laatste paragraaf van hoofdstuk 11, ‘Lastige’ cliënten

liet ik zien hoe een hedendaagse hulpverlener zijn cliënt van heroïnegebruik

verdenkt en haar als een politieagent een bekentenis probeert af te

dwingen. Hoe anders is de houding van zuster Paula. Haar kalme,

invoelende gedrag brengt Hedwig er vrij snel toe om haar morfinegebruik

toe te geven.

In een passage uit Deel 2, Hoogmoed en minderwaardigheid, kwam aan de 

orde dat hulpverleners zich moeilijk kunnen voorstellen dat hun cliënten

los van de hulpverlening veerkracht bezitten. Dat zij binnen de hiërarchische

therapeutische setting gemakkelijk in de verleiding komen te

menen dat zij in hun psychische ontwikkeling ‘verder’ zijn dan hun

cliënt en hun emotionele problemen al hebben verwerkt. Zuster Paula

verzeilt niet in dergelijke therapeutische kronkels. Wanneer zij merkt

dat Hedwig haar idealiseert, bijvoorbeeld, waarschuwt zij: ‘Het bezwaart 

me en het is onwaar. (…) Mijn leventje is even vol platte, saaie,

sombere moeilijkheden en beslommeringen, even vol weifelingen en

zwakheden als van andere mensen.’ En als zij eens ten onrechte kribbig

wordt, geeft zij dat in het volgende gesprek ruiterlijk toe.

Zuster Paula laat Hedwig de regie over haar leven, hoezeer zij ook

met haar is begaan. Zij geeft haar geen adviezen. Haar motto is: handel

oprecht, maar zonder angst, wat de gevolgen ook zijn.

Bovendien ziet zij er zorgvuldig op toe dat zij de naar liefde hongerende

Hedwig niet aan zich bindt. Wanneer Hedwig bij het afscheid

vraagt of zij mag schrijven, behoedt zuster Paula haar voor een blijvende

afhankelijkheid: ‘Liever niet. Het is zó genoeg.’

 

Het ‘nu’

Hedwig besluit naar Holland terug te keren en op de boerderij van

vrouw Harmsen te gaan helpen. Als pasgetrouwde vrouw heeft zij daar

voor het eerst een intense vrede ervaren. Zij laat aan de boerderij een

kamer bouwen met uitzicht op een meer. Overdag helpt zij in de huishouding

en op het land, ’s avonds leest zij en schrijft zij in haar dagboek.

‘Van een idyllisch leven had het weinig,’ schrijft Van Eeden. Maar

ondanks moeheid en sombere buien is Hedwig ‘wonderbaar gelukkig’.

Zij beleeft vreugde aan eenvoudige, dagelijkse dingen. Met haar sensuele

aard geniet zij volop van de natuur, ‘van de bedauwde spinnenwebben,

de mosplantjes op ’t dak, de stille bleke mist, de voorjaarsgroening

en de avondhemel boven het meer’. De momenten waarop

zij het ‘nu’ ten volle ervaart, de ‘hartsgevoelens’ uit haar kindertijd,

duren nu geen minuten meer, maar uren en soms zelfs dagen. Aldus

ervaart zij steeds meer vrede en levensvreugde.

 

Draken en prinsessen

Mensen in psychische nood zijn in staat onvermoede innerlijke krachten 

aan te boren die aan alle psychiatrische en psychologische schema’s

ontsnappen. Van eminent belang is hoe groot iemands veerkracht is,

hoe sterk zijn groeikracht, hoe groot zijn verlangen het tij te keren.

Want, zo vraagt de schrijver en dichter Rainer Maria Rilke (1875-1925)

in zijn Brieven aan een jonge dichter:

 

Hoe zouden wij de oude mythen kunnen vergeten die aan de wieg

van alle volkeren staan – de mythen over draken die op het allerlaatste

ogenblik in een prinses veranderen; misschien zijn alle draken

in ons leven wel prinsessen die er alleen maar op wachten ons  

eens mooi en moedig te zien.

 

.

 


1 De gevalsbeschrijvingen in deze tekst zijn - afgezien van de verwijzingen naar bekende beeldende kunstenaars, schrijvers en componisten - gebaseerd op persoonlijke gesprekken.
Waar nodig zijn namen en
bijzonderheden
veranderd om anonimiteit te waarborgen.

©  Saar Roelofs (2008). Op tekst en cartoons rusten auteursrechten.

 

Lees ook: De therapeut op de divan.
Enkele ingekorte passages uit Deel 2 van Wie is er nu gek? 
over overdracht en tegenoverdracht.

Andere praktisch info over de ggz-hulp

 


Schilderijen
Inner world
Het meisje en de wolf
Portretten
Musici
Landschappen

Boeken
Niet storen. Een kritische beschouwing over de Riagg in woord en beeld
Wie is er nu gek? Over kronkels in de therapeutische relatie

Nog altijd & Cement. Levensverhalen van Auschwitz-overlevenden
Tien componistenportretten in woord en beeld
Keerpunt. Over persoonlijke crises en kansen

Praktische 
info over 
de ggz hulp

 CV Saar Roelofs

Geen talent voor volgzaamheid: 
ervaring als psycholoog in de ggz

 


saar.roelofs@xs4all.nl 

© Partner Productions